Wat als een klokkenluider een onware melding doet?

Hoewel de richtlijn nergens in haar tekst naar de term goede trouw verwijst, maakt zij melding van valse meldingen van klokkenluiders in overweging 32, waar zij de redenering achter de voorwaarde voor de bescherming van melders zoals gedefinieerd in artikel 6, lid 1, onder a), van de richtlijn uitlegt.

Volgens de genoemde overweging moet de voorwaarde het volgende bieden bescherming tegen kwaadaardige rapporten. De richtlijn vereist namelijk dat de melder gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de informatie over de gemelde inbreuk op het moment van de melding waar was en dat die informatie binnen het toepassingsgebied van de richtlijn viel. Deze voorwaarde moet fungeren als de belangrijkste waarborg tegen kwaadwillige, lichtzinnige of onrechtmatige meldingen en moet ervoor zorgen dat melders die willens en wetens verkeerde of misleidende informatie melden, geen recht hebben op bescherming tegen vergelding.

Valse meldingen van klokkenluiders onder de EU-wet inzake klokkenluiders

De aanpak van de richtlijn lijkt niet de beste. Tenminste niet voor de rapporterende personen. De EU-klokkenluiderswet vereist een bepaalde mate van waarschijnlijkheid met betrekking tot de waarheidsgetrouwheid van de informatie. De materiële reikwijdte van de richtlijn op het moment van de melding door de melder. De richtlijn bevat geen weerlegbaar vermoeden dat aan deze voorwaarde is voldaan totdat het tegendeel is bewezen. Dit plaatst de bewijslast ligt bij de melder. Meestal als de zwakkere partij in de procedure, wat zijn of haar juridisch risico aanzienlijk verhoogt.

Verduidelijking van de ambiguïteit rond wettelijke normen in de wetgeving inzake klokkenluidersregeling

De klokkenluiderswetgeving definieert de wettelijke norm “redelijke gronden” niet en laat dit over aan nationale wetten. Bovendien is dit niet de enige wettelijke norm die van toepassing is op de aandoening. Namelijk de informatie over de schending, waarnaar de besproken voorwaarde verwijst. In artikel 5 gedefinieerd als informatie, waaronder redelijk vermoedenover daadwerkelijke of potentiële schending. Wat zich heeft voorgedaan of zeer waarschijnlijk zal voordoen. Het is niet duidelijk waarom in deze definitie de term “redelijke verdenking” wordt gebruikt. Terwijl in artikel 6 “redelijke gronden” van de aanvrager worden vereist. Deze wettelijke normen kunnen in sommige nationale wetgevingen een heel andere betekenis hebben. Dat zal de verwarring zeker vergroten.

Differentiëren van de mate van melding te goeder trouw bij de bescherming van klokkenluiders

Maar zeker niet alle meldingen met een lagere mate van waarschijnlijkheid dan de vereiste “redelijke gronden” (noch “redelijke verdenking”). Dit moet noodzakelijkerwijs worden gelijkgesteld aan opzettelijk verkeerde en misleidende rapporten. Onder te goeder trouw rapporterende personen verstaat men al diegenen die niet opzettelijk onjuiste en misleidende rapporten indienen. De richtlijn verdeelt de melders te goeder trouw blijkbaar in twee verdere groepen. Degene met meer en degene met minder goede trouw. Het onderscheid is verre van onbeduidend, aangezien de bescherming tegen vergelding ervan afhangt.

Naast het opzettelijk ten onrechte melden van personen, ook het melden van personen met “minder” goede trouw. Wie niet kan bewijzen dat het voldoende waarschijnlijk is dat de informatie waar is op het moment van de melding, zal geen beroep kunnen doen op de beschermende maatregelen tegen represailles. En zelfs als de gemelde overtredingen gegrond blijken te zijn. Dit geeft de melders met “minder” goede trouw geen toegang tot de beschermingsmaatregelen. De tegenovergestelde situatie waarin de melder met “meer” goede trouw informatie rapporteert die later onwaar blijkt te zijn. Maar geniet nog steeds bescherming, wat veel minder relevant lijkt.

Herdefiniëren van kwaadwillige opzet als voorwaarde voor bescherming tegen vergelding

In plaats van de positieve voorwaarde van artikel 6 van de EU-klokkenluidersrichtlijn, is het misschien beter om kwaadwillendheid te definiëren als een negatieve voorwaarde voor het bieden van bescherming tegen vergelding. Naar analogie van de bepaling van artikel 23, lid 2, waarin sancties moeten worden vastgesteld voor melders van wie vaststaat dat zij opzettelijk onjuiste informatie hebben gemeld, zou de ontzegging van bescherming onder dezelfde voorwaarde kunnen worden gedefinieerd. Een dergelijke oplossing zou eenvoudiger zijn en minder juridische risico’s voor informatieplichtigen met zich meebrengen, terwijl het in overweging 32 beschreven doel nog steeds zou worden bereikt. De lidstaten kunnen een dergelijke oplossing nog steeds in hun nationale wetgeving opnemen, aangezien dit een gunstiger bepaling is voor de rechten van de melders.


Meer lezen


Gratis oplossing